Iedere bediende moet zijn werk volgens de bepalingen van de arbeidsovereenkomst uitoefenen. Tenzij de arbeidsovereenkomst het tegenovergestelde bepaalt, mag hij niet weigeren tijdelijk een andere bij zijn lichamelijke en verstandelijke geschiktheden passende arbeid te verrichten, als de werkgever op hem beroep doet ten einde voor het goede verloop van de onderneming te zorgen, bij voorbeeld bij afwezigheid van een andere bediende,
bij dringend werk of technische stoornis, enz.