geïnteresseerd zijn in
Ik ben er niet in geïnteresseerd.
gek zijn op
k ben gek op chocola.
geloven in
Geloof jij in astrologie?
gelukkig zijn met
Mijn ouders zijn erg gelukkig met elkaar.
genieten van
Heb jij ook van de vakantie genoten?
geschikt zijn voor
Hij is eigenlijk niet geschikt voor dat beroep.
geven om
Ik geef niet om mooie kleren.
gewend zijn aan
WIj zijn gewend aan dat lawaai.
gluren naar
Henk zit steeds naar Tineke te gluren.
goed zijn in
Ben je goed in wiskunde?
grenzen aan
België grenst aan Nederland.