Iedereen in Ishinomaki weet precies
waar hij of zij was toen de vloedgolf
van zeker acht meter hoog ruim vier
jaar geleden over de vissersstad
spoelde. “Het was geen acht meter
hoge golf, maar een acht meter hoge
rivier die zich vele kilometers een
weg landinwaarts baande.” Aan het
woord is Kunio Snow, de baas van de
visafslag van Ishinomaki, dat in het
noorden aan de oostkust van Japan
ligt.
Hij had de tsunamiwaarschuwing
op 11 april in 2011 gehoord. Als voormalig
kapitein van een groot industrieel
visverwerkend schip was hij
wel wat gewend. “Ik wilde zien wat
er zou gebeuren. Dus ik bleef. Men
verwachtte de eerste golf om tien
over drie in de middag. Ik stond op
het dak van de visafslag en zag de
zee spiegelglad worden. Dat was zo
vervreemdend, eigenlijk onmogelijk.
Toen werd ik bang en ben de heuvels
in gevlucht.” Snow was de laatste van
de vismarkt die vertrok. Alle anderen
waren al weg en hebben het daarom
overleefd.
Nagato Kimura, directeur en eigenaar
van de visverwerkende fabriek Kinoya, vluchtte met honderd man
personeel de heuvels in. Vier dagen
later trof hij zijn fabriek aan als een
in elkaar gedrukt leeg bierblikje. “Er
lag een groot schip op wat eens het
laaddok was.”
Ook van de visafslag was niet veel
over, behalve 50.000 ton vis die lag te
rotten en opgeruimd moest worden.
De eerste taak van alle werknemers.
Snow: “De stank was vreselijk”.
Shigeo Ankai is visser. Hij had in
2010 een nieuwe kotter gekocht van
21 meter, waarmee hij platvis, octopus
en zeebaars ving. Hij heeft nooit
een stukje van zijn schip teruggevonden.
Vaak ging hij zoeken in de heuvels
en aan zee. Tevergeefs.
Maar dat was niet het ergste. Zijn
huis stond in de wijk waar de Kitakami-
rivier doorheen stroomt. Zelf was
hij in het landinwaarts gelegen Sendai
toen het gebeurde. Zijn vrouw,
kind en ouders waren thuis. Zijn vader
en moeder werden door de vloedgolf
verrast en konden de eerste verdieping
niet meer bereiken. Zijn
echtgenote en zoon overleefden de
ramp wel.
Toen de zee zich langzaam terugtrok,
kon Ishinomaki de ramp in
kille cijfers vatten: 3178 doden, 423
vermisten, 20.000 volledig vernielde
huizen en 26.000 zwaar beschadigde
woningen.
Het puin is geruimd. De zee is
schoongemaakt. Vissers als Ankai
kregen een vergoeding om met een
nieuw schip afval te vissen. “Ik heb
een jaar lang de zee schoongemaakt.
Met netten haalden we alle rotzooi
naar boven.” Even zwijgt hij. “Endaar zaten ook veel lijken bij.”
Ishinomaki herstelt langzaam. Van
de 200.000 inwoners van weleer zijn
er nu 150.000 over. Velen trokken
weg uit angst voor nog zo’n tsunami,
of omdat hun huis of bedrijf is weggevaagd.
Nog steeds bestaat de kuststrook
van de stad uit gebouwen en
woningen met daaromheen lappen
grond met een betonplaat of de resten
van een fundering. Gatenkaas.
In de kustwijken wisselen huizen
en lege stukken grond elkaar af,
waardoor de wind vrij spel heeft. Het
haventerrein van Ishinomaki, waar
de viswerkende industrie zit, is in de
jaren vóór de tsunami enorm gegroeid
richting de zee, maar ligt er
nu kaal bij: beton, grove keien, gruis,
kiezels, zwart zand en hier daar wat
ontluikend groen. Er zal nooit gebouwd
worden. Te gevaarlijk.
Twee jaar lag de visproductie bij
Kinoya stil. Met financiële hulp van
de overheid en de verzekering bouwde
Nagato Kimura een nieuwe fabriek
op dertig minuten rijden van
de kust. Ook het oude visverwerkende
bedrijf is herbouwd. Kimura:
“Hier wordt de vis schoongemaakt
en gesneden. De partjes gaan naar de
nieuwe fabriek om ingeblikt te worden:
krill, ansjovis, sardines, walvis,
geep en makreel.” Hij is er trots op
dat iedereen in dienst kon blijven,
ondanks de financieel moeilijke
tijden. “Alleen de vijftien Chinese
werknemers zijn teruggegaan naar
hun land.”
Zijn omzet is nog niet op het niveau
van 2010, maar komt dit jaar
weer in de buurt. “Dus zien we de
winst terugkeren”, zegt Kimura.
“Veel kleinere bedrijven hebben het
niet gered”, zegt hij. Van de 84 visbedrijven
in Ishinomaki in 2010 zijn er
58 over. Kimura ziet de toekomst
met vertrouwen tegemoet en denkt
zelfs aan export van zijn blikjes vis
naar Europa, voor het eerst sinds het
bedrijf in 1963 begon.
Shigeo Ankai was een van de eerste
vissers die weer ging vissen na dik
een jaar. Met een nieuwe kotter, een
meter langer dan de vorige. “Ik wilde
stoppen met puin ophalen uit zee. Ik
moest vissen, ook al zou ik verlies lijden.”
Maar het ging goed. De radioactiviteit
in het water, gevolg van de kernramp
in Fukushima zo’n 100 kilometer
zuidelijker, daalde snel onder de
grenswaardes. Dus mocht de gevangen
vis worden verkocht en gegeten.
“Omdat ik de enige was, was de prijs
wel tweemaal zo hoog als normaal.
Maar nu is de prijs slecht”, klaagt hij.
“Alle boten zijn weer op zee.”
Toch, zo laag kunnen de prijzen
niet zijn. Vissers uit het door de nucleaire
ramp getroffen Fukushima
hebben geen nieuwe boten gekocht
en zijn gestopt. Dat merkt de visafslag,
die al een paar jaar opereert
vanuit twee hele grote fabriekstenten.
“Zo’n 70 procent van alle vissers
aan de noordoostkust is weer op zee.
Veel vissersboten zijn uitgeweken
naar vismarkten in andere havens.
De omzet van de afslag blijft zo’n 20
procent achter op die van 2010. Met
dit kleinere visaanbod kunnen we
geen concurrerende prijs bieden.”
Snow is optimistisch. In september
gaat het nieuwe gebouw van de visafslag
open. “We hebben straks de
meest hygiënische en moderne vismarkt
van Japan en daarmee kunnen
we de concurrentie aan. Dan komen
de vissers terug met hun vangsten.