INLEIDING.
Niets is er, dat den mensch meer van
de dieren onderfclieidt en hooger boven dezeU
va verheft, dan het vermogen om zijne denk-
beelden en gewaarwordingen, door duidelijke en
bepaalde klanken, aan anderen mede te deelen.
Dit heerlijk vermogen, dat aan alle menfchen
gemeen is, draagt den naam van fpraak; welk
woord in zooverre in beteekenis van taal ver-
fchik, als door dit laatfte meer bepaaldelijk het
bijzondere zamenftel van klanken en woorden
verflaan wordt, waarvan een volk zich, in
onderfcheiding van andere, tot uitdrukking van
zijne gedachten bedient.
2. De voortre&elijkheid van het fpraakver-
mogen maakt het onderzoek van alles, wat tot
fpraak of taal betrekking heeft, voor den rede-
lijken mensch hoogst belangrijk. In het bijzon-
der is het van de uiterile noodzakelijkheid te
weten, uit welke beginfelen eene taal zij zamen-
gefteld, en wat men in acht moete nemen, om
dezelve wel te fpreken en te Tchrijven. De we-
tenfchap, welke dit leert, wordt bij ons Spraak-
A 3 kunst