attJereu, altijd mannelijk, offchoon zij ook van
wijfjes gebezigd worden. Daarentegen blijven
duif, kraai, musch, flang, en meer anderen,
altijd vrouwelijk, offchoon zij ook van manne-
tjes gebruikt worden. Desgelijks worden de on-
zijdige woorden kind cn paard onverl(:hiIlig van
een' jongen of een meisje, een' hengst of eene
merrie gebezigd.
3. Sommige zelfflandige naamwoorden hebberT
tloor den tijd eenige verandering van ;geflacht
ondergaan, en komen daardoor in twee, en een
enkel zelfs in drie geflachten voor. Dus waren
dood en tijd, die thans veelal mannelijk zgn,
oudtijds ook vrouwelijk, als blijkt uit de fpreek-
wi,izen te dier tijd, in der tijd, ter dood
brengen, enz. Beest en feest, thans doorgaans
alleen onzijdig, waren oudtijds meesral vrouwe-
lijk ; en vandaar nog de fpreekwijzen de beest
fpelen, ter feest gaan. Hetzelfde geldt omtrent
'€og en oor; van welk laatfte het vrouwelijke ge-
flacht zich nog voordoet in de fpreekwijze ter
ooren komen. Oorlog komt in alle drie de ge-
flachten voor; doch het mannelijke is daarin wel
het algemeenfte.
h. Over de getallen der zelfflandige naam-
woorden.
37. De zelfflandige naamwoorden komen m
twee getallen voor, naar mate een perfoon of
eene zaak algemeen genomen, of meerdere van
dezelfde foort bedoeld worden. Het eerfle noemt
men bet et.hehoudige, het laatfte het meervou-
dige getal.
§. Het meervoud woxdt gewoonl^k gevormd
dooj